De overheid vraagt zelf om "labelkinderen". Zonder diagnose is er immers gee geld voor een behandeling. Het onderwijs is er blij mee.
Sommige kinderen zijn, om met cabaretier Jochem Myjer te spreken, heel, heel, hééééél druk. Maar hebben ze dan ADHD of PDD-NOS? Dat is dus de vraag, vindt staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (Volksgezondheid). Volgens haar krijgen kinderen met afwijkend gedrag te vaak en te snel het label opgeplakt dat ze iets mankeren. En daar wil ze vanaf.
„Ik heb geen idee waarop ze haar bewering baseert”, zegt de Helderse jeugd- en kinderpsychiater M. Pam. „Er zijn in elk geval geen wetenschappelijke bewijzen voor. Ze gaat volledig voorbij aan de vraag wie bepaalt of een diagnose en de daarop eventueel volgende behandeling terecht is geweest of niet?”, zegt hij. „Het labelen van kinderen is niet zo zwart-wit is als de staatssecretaris wil doen voorkomen. Bij een longontsteking is het helder wat iemand mankeert. Maar als iemand angstig is, heeft hij niet meteen een stoornis. Er zijn diverse gradaties van angsten, de vraag is vanaf welke mate het een stoornis is. Bovendien eist de overheid zelf dat je een probleem benoemt, anders krijgt een kind bijvoorbeeld geen ‘ rugzakje’ en wordt een behandeling niet vergoed.”
Veronique Ruiz van Haperen van de Gezondheidsraad en jeugdpsycholoog Oda Bauhuis van de HSK- groep in Arnhem zijn dat met hem eens. Zij vinden echter dat de staatssecretaris wel een punt heeft. Bauhuis stelt dat psychologen vooral bij twijfelgevallen in de verleiding kunnen komen toch maar een etiket op het gedrag te plakken. „Niet onlogisch, want als je ziet dat er behandeling nodig is, is er ook een diagnose nodig om deze te kunnen bieden. Het kan dan hardvochtig voelen om het niet te doen.”
Ruiz was betrokken bij het advies van de Gezondheidsraad aan het kabinet over aan autisme verwante stoornissen. „We hebben geconstateerd dat het aantal diagnoses explosief toenam, wereldwijd. Gezien de manier waarop de zorg in Nederland wordt bekostigd, is het daarom niet uit te sluiten dat kinderen soms iets te gemakkelijk een label krijgen.”
Gericht onderzoek is hier echter niet naar gedaan. De enige enquête die voorzichtig aangeeft of het zin heeft om te benoemen aan welke stoornis een kind lijdt, is vorig jaar gedaan door vakbeweging CNV en het NCRV-programma Rondom 10. Daaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van het personeel in het basisonderwijs het een goede ontwikkeling vindt.
Ook denkt bijna driekwart dat de extra zorg en aandacht voor deze zogeheten labelkinderen een positieve invloed heeft op hun leven. Een kwart meent dat gelabelde kinderen te snel medicatie krijgen. Strikt genomen is een label een medische diagnose, die alleen door psychiaters mag worden gesteld. In de praktijk doen veel ouders, opvoeders en leerkrachten het echter ook. „Ik krijg heel vaak kinderen omdat de school vindt dat er iets is”, zegt Pam „Maar als het kind zelf nergens last van heeft, behandel ik niet.” Formeel luistert een psychiater bij kinderen onder de 12 naar de ouders. Tussen 12 en 16 jaar bepaalt het kind mee en boven de 16 is het kind leidend.
Psychologe Bauhuis bepleit dat er, anders dan nu, zo snel mogelijk wordt gestart met de behandeling en gaandeweg een diagnose wordt gesteld. Psychiater Pam wijst er daarbij op, dat het vaak wel degelijk zin heeft om te weten of iemand een bepaalde stoornis heeft. „ Als een blinde ergens tegenaan botst, dan zeg je niet: kijk toch uit je doppen! Omdat je weet dat die persoon blind is. Zo is het handig om te weten dat een heel druk kind ADHD heeft of PDD-NOS. Als hij een officieel etiket heeft, dan weet je dat zo’n kind zich niet aanstelt.”
|