Krijgen kinderen te vaak en te snel een etiket als ADHD of Asperger opgeplakt? Staatssecretaris Veldhuijzen va Zanten vindt van wel. Verslaggever Joep Trommelen beschrijft zijn ervaringen met zoon Rik.
Het eerste etiket dat mijn zoon Rik (toen 5) ontving, was ADHD. In 2004, nadat een particulier psychologisch bureau ons had doorverwezen naar de kinderarts in het ziekenhuis. Want alleen een echte arts mag een echte diagnose stellen waar je de boer mee op kunt in het medische circuit.
ADHD was in die tijd een hype. „Heeft ’ie geen ADHD?”, vroegen allerlei mensen in onze omgeving als Rik weer eens als een witte tornado door de woonkamer raasde. En wat doe je dan? Je gaat eens naar de dokter, en die verwijst je door. We kwamen zo bij dat particulier bureau, vanwege de goede naam en het ontbreken van een wachtlijst.
Toen men daar ADHD vermoedde, moest Rik alsnog naar het ziekenhuis voor een ‘stempel’: officieel goedgekeurd door de kinderarts. Ik zie Rik nog liggen, angst in zijn ogen, een badmuts op met elektroden die zijn hersenactiviteit maten. En ja hoor, het werd Ritalin. Drie pilletjes per dag om hem rustiger te maken. Het was het begin van een lange reis langs kinderartsen en schimmige bureautjes die problemen signaleerden én tegen een flinke vergoeding op wilden lossen (sociale vaardigheidstraining).
En we leerden al snel: zonder etiket geen hulp. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het bureau met de goede naam stelde ook vast dat Rik hoogbegaafd was. En: hij zou ook weleens aan het syndroom van Asperger kunnen lijden, een vorm van autisme. Weer twee stempels.
Een echte kinderpsychiater, daar zouden we beter af zijn dan bij de ‘gewone’ kinderarts, adviseerde een ander bureautje, dat van de sociale vaardigheidstraining. Ze wisten wel een goeie.Die man geloofde na een aantal gesprekken met Rik niets van het Asperger- verhaal, en richt al zijn pijlen nu al een paar jaar op ADHD.
Omdat de Concerta-pillen (die vervangen inmiddels Ritalin omdat ze gedurende de dag een gelijkmatiger dosis afleveren) voor slaapproblemen zorgen, slikt Rik ook al jaren ‘inslapertjes’, melatonine. En hij slikt een tabletje om ontremd, agressief gedrag in te tomen. En o ja, de kinderpsychiater stelde ook vast dat Rik aan pavor nocturnus lijdt: een aan slaapwandelen verwante stoornis waarbij hij al slapend in paniek raakt. Hup, nog een pilletje. Eén geluk: het hielp!
Hij kwam bovendien in aanmerking voor een ‘ rugzakje’. Met die subsidie zouden ze op school Rik nóg beter kunnen begeleiden door hulp van buiten en lesmateriaal in te kopen. Rik werd zo een ‘cluster 3’ kind. Cluster 3 is een pakketje criteria (etiketten!) waaraan een kind met een lichamelijke of verstandelijke beperking moet voldoen om in aanmerking te komen voor speciaal onderwijs of een rugzakje. Rik past in dat pakketje.
De school en de ‘cluster 3’- begeleider brachten het Asperger-verhaal terug op tafel; Riks gedrag zou toch écht wel veel trekjes van het syndroom van Asperger vertonen. Rik kreeg een vaste ambulante begeleider, en een pedagoge om op school allerlei praktische dingen mee te oefenen.
Pillen én rugzakje konden echter niet voorkomen dat hij in groep 8 in de problemen kwam, ook al heeft hij er zeker baat bij. Ondanks zijn ‘hoogbegaafdheid’ dreigde een vmbo-advies. Er volgde een conflict met de school nadat Riks twee docenten pas na de kerst signaleerden dat het vmbo weleens het hoogst haalbare zou kunnen zijn. We kregen te horen dat er ‘nog twintig andere kinderen’ in de klas zaten die óók aandacht vergden. De moderne docent moet inderdaad van vele markten thuis zijn, misschien wel veel te veel. Maar het leek wel alsof die twee Riks dossier niet eens kenden.
Rik is dit schooljaar in een vmbo/ havo-brugklas terechtgekomen. Zelf vind ’ie het prima gaan, zijn ‘cluster 3’-begeleider en de zorgcoördinator van de school vonden dat aanvankelijk ook. Maar docenten én leerlingen zouden zich toch behoorlijk storen aan Riks drukke gedrag. De grote vraag: is hij in staat zich aan de nieuwe school aan te passen of moet hij wellicht toch naar het speciaal onderwijs? Wordt vervolgd. Je zou één factor bijna vergeten: Rik zelf! Hij houdt zich flink maar lijdt toch wel onder alle stigma’s die in de loop der jaren zijn gepasseerd. Praat er niet graag over. Voelt zichzelf duidelijk ‘anders’. „Vermoeiend”, vindt hij de eindeloze tocht langs artsen en hulpverleners. Maar hij denkt dat ’ ie er toch wel baat bij heeft. „ Je mag het gerust opschrijven in de krant, Dan snappen mensen misschien beter waarom ik zo doe.”
Soms denk ik: we stoppen overal mee, onttrekken ons aan de kinderlabel- industrie. Eens kijken wat er dan gebeurt. Of het voor Rik wat uitmaakt. Maar dat durf je als ouder toch niet zelf te beslissen. Je bent overgeleverd aan het oordeel van mensen die er voor doorgeleerd hebben.
De plannen van de staatssecretaris lijken mij veel te kort door de bocht. De ‘wildgroei’ aan etiketten bewijst immers niets. Haar standpunt lijkt me vooral ingegeven door de wens te bezuinigen. En het sluit prima aan bij de tijdgeest om te twijfelen aan het oordeel van ‘deskundigen’.
Kinderen leven in een steeds ingewikkeldere, drukkere en veeleisender wereld. Geen wonder dat niet ieder kind daar zonder schade op te lopen in mee kan draaien, denk ik dan. Misschien moeten we dus blij zijn dat er tegenwoordig veel meer aandacht voor de kinderziel is. Maar na al die jaren dwalen door het doolhof stel ik vast: ik weet het gewoon niet en zal er ook wel nooit achter komen. |