Op 28 april 2010 vond het koploperdebat plaats dat KansPlus, Belangennetwerk Verstandelijk Gehandicapten, organiseerde in het bestuurscentrum van de Rabobank. Tijdens het debat werd gesproken met zorginstellingen, leden van KansPlus, zorgverzekeraars, inspectie, het ministerie van VWS, pensioenfonds PGGM, de Rabobank en Prof .Dr. Ir. G. van Dijk, hoogleraar Theorie en Praktijk van de Coöperatie, over een alternatief voor de stichting als bestuursvorm van zorginstellingen. Het debat richtte zich op de vraag waarom er een nieuwe bestuursvorm zou moeten komen. Wat tijdens het debat opvalt is het enthousiasme over het thema en de kansen . Zo stelt een van de aanwezigen bij de start van het debat: “Ik wil de waarom vraag het liefst overslaan en meteen naar hoe we tot een nieuwe bestuursvorm kunnen komen”. Gaandeweg het debat wordt duidelijk dat die waarom vraag toch erg belangrijk is. De rechtsvorm “stichting” werd gezien als een niet in alle opzichten meer geheel bij de tijd passende rechtsvorm die een belemmering in zich heeft om de klant werkelijk centraal te stellen. Ontwikkelingen die te maken hebben met een herpositionering van de staat, de markt en het particulier initiatief duiden er op dat andere vormen zoals de coöperatie op zijn minst zeer de moeite waard zijn. In het debat werd de coöperatie als alternatieve bestuursvorm besproken. Hierbij is er sprake van zakelijk verkeer tussen de leden van de coöperatie en de coöperatie zelf. Toegepast op de VG-zorg zouden handelingsbekwame cliënten of hun vertegenwoordigers lid kunnen zijn van de coöperatie. Met hen zou een overeenkomst worden gesloten voor de levering van zorg door de coöperatie oftewel het zorgbedrijf. De afnemers van zorg zijn ook mede-eigenaar en vanuit de samenwerkings- en solidariteitsgedachte is het doel om met beschikbare middelen maximale kwaliteit van zorg te realiseren. Een bestuurder van de Rabobank sprak over de ervaringen binnen de Rabobank als coöperatie. “Het doen en laten en de verantwoording daarover wordt in een coöperatie in het geval van een zorginstelling ingegeven door het belang van de klant. Samen kun je bepalen wat je ambieert en wat je filosofie en visie is. Wat de coöperatie veelal siert is dat er ruimte is voor normen en waarden als grondslag.” Ook een vertegenwoordiger van het PGGM spreekt: “Waar je over na moet denken is de waarde van het lidmaatschap en de mentaliteit van de organisatie”. Dat de zorgaanbieder als “tegenprestatie” een verbondenheid vanuit de klant met zijn organisatie mag verwachten, onderstreept dat er sprake is van wederkerigheid in de relatie tussen de zorgaanbieder en zorgvrager. Een mooi bijkomend effect, is dat organisaties die er voor zorgen dat de binding met hun klanten via de vorm van een coöperatie loopt, eerder in aanmerking komen voor financiering vanuit de bankwereld dan wanneer daar niet of nauwelijks aandacht aan wordt besteed. De heer Hoogendoorn,vicevoorzitter van KansPlus, benadrukt het belang van natuurlijk bondgenootschap van ouders met hun verstandelijk gehandicapte zoon of dochter. Hij geeft aan dat er niet alleen gesproken moet worden over mensen met een verstandelijke beperking, maar dat er ook gesproken moet worden met hen en hun vertegenwoordigers. “We moeten samen met elkaar iets, en dat moeten we met een vorm organiseren”. Het debat liet zien dat de spelbepalende actoren in de zorg gecharmeerd waren van de geïntroduceerde gedachten en in belangrijke mate uitspraken verdere stappen in de richting van een coöperatie serieus in overweging te nemen. Duidelijk is dat er iets leeft, maar vooral ook dat er iets moet gebeuren om het gesloten karakter van een stichting te doorbreken. Belangrijk is een afweging en een balans tussen waarden en filosofie enerzijds, en inrichting en vorm anderzijds. Resultaat van het debat is dat niet zozeer de vraag centraal staat of er een andere bestuursvorm zou moeten komen, de vraag is meer hoe zo’n bestuursvorm tot stand zou moeten komen. In het najaar organiseert KansPlus een groot plenair vervolgdebat. bron> KansPlus |