Jongerenwerker terug van weggeweest
14-04-2010
De jongerenwerker is helemaal terug, al is het beroep wel ingrijpend veranderd. Ook in deze regio is de vraag naar de ‘nieuwe’ jongerenwerker gestegen en zijn gemeenten bereid het aantal arbeidsuren uit te breiden. De vraag geldt als antwoord op de maatschappelijke discussie over risicojongeren en om de druk op jeugdzorg en justitie te verlichten. Door bezuinigingen was het jongerenwerk bijna van de kaart geveegd. Eind vorig jaar waren er landelijk echter ruim 2.800 jongerenwerkers actief, 60 procent meer dan in 2000. Het aantal fulltimebanen (fte’s) groeide met 41 procent, zo wijst onderzoek van de brancheorganisatie MO GroepWelzijn & Maatschappelijke Dienstverlening uit. De nieuwe jongerenwerker is steeds meer een hoger opgeleide ‘coach’, die zich samen met andere professionals inzet om (randgroep) jongeren het juiste pad op te brengen. Nu nog bestaat de beroepsgroep grotendeels uit vmbo’ ers of mbo’ers. Er is een groeiende vraag naar mensen met een hboof masteropleiding.
Jongerenwerker heeft meer in zijn mars Aan jongerenwerkers worden hogere eisen gesteld. Hun opleidingsniveau wordt opgekrikt om risicojongeren beter op het juiste pad te kunnen krijgen. Jan Kiel (57) is nog zo’n jongerenwerker van de oude stempel. De Enschedeër was zelf lang geleden een boefje dat de stad onveilig maakte en spreekt als ‘ervaringsdeskundige’ de taal van randgroepjongeren. Hij legt gemakkelijk contact met hen, of het nu gaat om vak-P’ers of leerlingen van het speciaal onderwijs die niet direct bij iedereen een glimlach op het gezicht toveren. Maar de tijden zijn veranderd in de veertig jaar dat Kiel als jongerenwerker actief is. „ Je was altijd voor ’ t grootste deel met de jeugd zelf bezig. Dat is ook het mooiste om te doen. Maar tegenwoordig zijn we ook veel bezig met schrijven, rapporten en zo. Als jongerenwerker moet je op straat zijn en niet op kantoor.” Gelukkig was vorige week weer de paaskermis in het Volkspark. Daar waren Jan Kiel en zijn collega’s van De Mast een aantal avonden te vinden. „Die vrijheid heb je als jongerenwerker nog steeds. We lopen op de kermis om confrontaties tussen jongeren te voorkomen.” Hoewel het aloude straathoekwerk nog steeds de kern is, ontwikkelt het jongerenwerk zich langzaam maar zeker tot een beroepsgroep die een heel ander gezicht krijgt. Een jongerenwerker is al lang geen watje meer en hij heeft straks steeds vaker een hogere opleiding dan het mbo-diploma dat het gros nu op zak heeft. „
Er is een toenemende behoefte aan hbo’ ers”, aldus Karin de Jager van welzijnsorganisatie Alifa, de werkgever van Jan Kiel en zijn collega’s. „Een jongerenwerker moet veel meer een volwaardige gesprekspartner voor andere organisaties en instellingen zijn. Hij of zij is één van de gelijkwaardige partners in het jongerenwerk.” Hij moet beter worden opgeleid om doelgerichter te kunnen werken en nieuwe taken op te pakken. De Jager: „ Alles op een manier die past bij deze tijd. De vrijblijvendheid is voorbij. Een jongerenwerker moet in staat zijn tot het analyseren en observeren van groepen en individuen: heeft die jongere mijn inzet nodig, en zo ja op welke manier? En hij moet de instanties kennen waarnaar hij kan doorverwijzen.” Samenwerking is de kracht van dit nieuwe jongerenwerk. „ Dat is in het verleden wel eens weggeëbd.” De Jager doelt op de jaren zeventig en tachtig, toen zó fors werd bezuinigd op het jongerenwerk dat daar nu nog weinig van over is. Maar in het licht van de groeiende jongerenproblematiek wordt de roep om meer jongerenwerkers steeds luider. „ Jongerenwerk opereert per definitie in de ruimte die vrije tijd heet. We hebben onvoldoende zichtbaar gemaakt wat de bedoelingen waren van bijvoorbeeld het potje voetbal dat de jongerenwerker met de jeugd speelde. Die slag heeft het jongerenwerk beslist verloren. Het is zaak dat de beroepsgroep zich zelfbewuster gaat profileren als mensen die hun vak verstaan.” De pedagogische intenties en de effectiviteit van het werk moeten beter onder de aandacht worden gebracht, wil het jongerenwerk zijn bestaansrecht aantonen, is haar boodschap. „De maatschappij wil problemen graag opgelost hebben, wij moeten onze goede resultaten beter laten zien. Dan is de bereidheid groter om te investeren in de professionaliteit van jongerenwerk dat de samenleving wil.” Dat is voor veel jongerenwerkers nieuw, is de ervaring van Geralien Holsbrink, lector Maatschappelijke Ondersteuning & Jeugd aan Saxion Hogescholen. „Wil men meer banen voor dit soort professionals, dan zullen zij zelf moeten bewijzen waaraan zij een bijdrage leveren met hun interventie.” Het probleem is echter dat er geen cijfers worden verzameld.
Ook op universiteiten en hogescholen wordt weinig onderzoek gedaan naar de effectiviteit van straathoek- en opbouwwerk. Holsbrink: „ Er is dus nog geen wetenschappelijke onderbouwing van de instrumenten die je als professional in bepaalde situaties het beste kunt inzetten.” Ook volgens de Saxion-lector is het de beroepsgroep zelf die het voortouw zal moeten nemen om het tij te keren. De eerste stap is gezet, er is inmiddels een beroepsgroep in oprichting van hbo-jongerenwerkers: Phorza. door: Anja Kruise
Bron> De Twentsche Courant Tubantia 13/04/2010 | | | | |
|
laatste wijziging: 15 april 2010 |
|